Rasstandaard

FCI rasstandaard Nr. 102 / 14.11.2019 / D
Kleine Münsterländer / Heidewachtel
Land van Oorsprong: Duitsland
Datum van publicatie van de geldende originele rasstandaard: 4 september 2019
Gebruik: Veelzijdig inzetbare jachtgebruikshond
Kwalificatie FCI:
Groep: 7 - Voorstaande honden
Sectie: 1.2 - Continentale staande honden.
Langharig (Epagneul)
Met werkproef

Korte geschiedenis

Sinds ongeveer 1870 is de fokkerij van rassen in het noordduitse Münsterland
gedocumenteerd. In de Kleine Münsterländers/Heidewachtels stroomt het bloed van
honderden jaren oude drijvende en voorstaande honden.
In 1912 werd het “Verband für Kleine Münsterländer Vorstehhunde” (Vereniging van
Kleine Münsterländers) opgericht, om deze honden als zelfstandig jachthondenras te
behouden en bevorderen. De jagers moest een middelgrote, gepassioneerde,
intelleigente en aanhankelijke, volmaakte gebruikshond ter hand gesteld worden om in
veld, bos en water te jagen.
In 1921 stelde Dr. Friedrich Jungklaus de eerste rasstandaard op, die sindsdien
regelmatig verder ontwikkeld werd. Tegenwoordig is de Kleine
Münsterländer/Heidewachtel een veelzijdig inzetbare jachthond, die vanwege zijn
werklust wereldwijd bij jagers zeer geliefd is.

Algemene verschijning:

Middelgrote, krachtige en harmonische lichaamsbouw, die bij veel adel en elegantie
evenredige verhoudingen heeft. Adellijk hoofd.
In opgeheven houding toont de hond vloeiende lichaamsbelijningen met een horizontaal
gedragen staart. De voorbenen zijn goed bevederd, de achterbenen hebben broekbeharing, en de staart toont een duidelijke vlag.
De glanzende beharing moet glad aanliggend tot licht golvend zijn, dicht en niet te lang.
Het gangwerk is harmonisch en ruim uitgrijpend.
Het totaalbeeld moet altijd de bruikbaarheid voor de jacht tonen.

Belangrijke verhoudingen:

De lichaamslengte gemeten van borstbeenpunt tot zibeenknobbel moet de schofthoogte
overtreffen. Gestreefd wordt naar de verhouding 1 op 1,1.
De schedellengte, gemeten van de jachtknobbel tot de stop, komt overeen met de lengte van
de voorsnuit gemeten van de stop tot aan de punt van de neusspiegel .
De afstand van de ellebogen tot de grond moet ongeveer gelijk zijn aan de afstand
tussen de ellebogen en de schouderpunten.

Gedrag/karakter (aard):

De Kleine Münsterländer/Heidewachtel is intelligent en leergierig, temperamentvol en
evenwichtig, met een stabiel karakter;
Met een opmerkzame, vriendelijke grondhouding tegenover mensen (geschikt voor
gezinsleven), goede sociale binding en gerichtheid op de baas (will to please), met
gepassioneerde, volhardende prooidrift, veelzijdige jachtaanleg alsmede goede
stressbestendigheid en wildscherpte.
De Kleine Münsterländer/Heidewachtel moet de benodigde aanleg hebben om in
goede samenwerking met de jager het wild in veld, bos en water te bejagen en het wild
in het bezit van de jager te brengen (veelzijdigheid).

Hoofd:

Hoofd en expressie bepalen het type.

Schedel:
    Adellijk, droog, vlak tot lichtgewelfd.
Stop:           Gering maar wel duidelijk herkenbaar.

Aangezicht

Neusspiegel: Eenkleurig bruin.
Voorsnuit:     Krachtig, lang, met rechte neusrug
Lippen:           Kort, goed aangesloten, goed gepigmenteerd, éénkleurig bruin.
Tanden:         Grote witte tanden.
Kaken:           Krachtige kaken met een regelmatig en volledig scharend gebit,overeenkomstig de gebitsformule, waarbij de bovenste snijtanden zonder tussenruimte over de onderste snijtanden staan en de tanden loodrecht in de kaken staan. Met 42 elementen overeenkomstig de gebitsformule. Het teveel aanwezig zijn of het ontbreken van 2 x de P1 is toegestaan.

Wangen: 
Krachtig en goed bespierd.

Ogen:  Van middelmatige grootte, noch uitpuilend noch diepliggend. Zo donkerbruin mogelijk. De oogleden moeten de oogbol goed omsluiten en het bindvlies bedekken.
Oren:  Breed, hoog aangezet, vlak aanliggend, naar onder toe spits toelopend, niet over de mondhoek reikend.

Hals:

Lengte in harmonie met het totaalbeeld, naar de romp toe geleidelijk breder wordend. Nek zeer gespierd en licht gewelfd met strak aanliggende keelhuid.

Lichaam:

Bovenbelijning:   Vloeiend en licht aflopend.
Schoft:  Duidelijk waarneembaar.
Rug:  Sterk en goed gespierd. De doornuitsteeksels van de wervels moeten door het spierstelsel bedekt zijn.
Lendenen:  Kort, breed en gespierd.
Kruis: Lang en breed, niet sterk hellend, naar de staart toe slechts licht aflopend en goed gespierd. Breed bekken.
Borst: Meer diep dan breed, een zover mogelijk naar achter reikend borstbeen met goed gewelfde ribben.
Onderbelijning en buik: In een elegante lichte boog naar achter oplopend, droog.

Staart:

Hoog aangezet, met lange vlag, de ruglijn volgend, bij de aanzet krachtig en vervolgens smal toelopend, middellang. In rust naar beneden hangend, in beweging horizontaal en niet te hoog boven de rugbelijning en licht gebogen gedragen, het laatste derde deel mag een weinig opwaarts gebogen zijn.

Ledematen:

Voorhand

Algemeen: Van voren bekeken recht en zo veel mogelijk parallel, van de zijkant bekeken goed onder het
lichaam staande benen. De afstand van de bodem tot de ellebogen, moet ongeveer gelijk zijn aan de afstand van de ellebogen tot de schoft.
Schouders: Goed aanliggend schouderblad, krachtig bespierd. Schouderblad en opperarm vormen een goede hoek van ongeveer 110 graden.
Opperarm: Zo lang mogelijk en goed gespierd.
Ellebogen: Goed tegen het lichaam aanliggend, niet naar buiten of naar binnen draaiend. Opperarm en onderarm vormen een hoek.
Onderarm: Krachtige beenderen die loodrecht staan.
Voorvoetwortelgewricht: Krachtig.
Middenvoorvoet: Een weinig naar voren gericht.
Voorvoeten: Rond en gewelfd met goed gesloten tenen en voldoende dikke, stevige, robuuste voetzolen, zonder al te weelderige beharing. Zij staan parallel zowel in stand als in beweging, niet naar binnen of naar buiten gericht.

Achterhand

Algemeen: Van achteren gezien recht en parallel. Correcte hoekingen in knie- en spronggewrichten. Krachtige beenderen.
Dijbeen: Lang, breed en goed gespierd. Bekken en dijbeen vormen een goede hoek.
Knie: Krachtig. Dijbeen en onderbeen vormen een goede hoek.
Onderbeen: Lang, gespierd en pezig.
Spronggewricht: Krachtig
Achtermiddenvoet: Kort en loodrecht staand.
Achtervoeten: Rond, met goed gewelfde en gesloten tenen en voldoende dikke, stevige, robuuste voetzolen, zonder al te weelderige beharing. Zij staan parallel zowel in stand als in beweging, niet naar binnen noch naar buiten gericht.

Gangwerk:

Ruim uitgrijpend, met veel stuwing vanuit de achterhand en een daarbij passend ruim uitgrijpen in de voorhand, in voorhand en achterhand in een rechte lijn en parallel, met een goed opgeheven houding. Telgang is ongewenst.

Huid:

Strak aanliggend, zonder plooivorming.

Beharing:

Haar: Dicht, middellang, glad tot weinig gegolfd, goed aanliggend en waterafstotend. De contouren van het lichaam mogen niet door een te lange beharing verborgen worden. De dichte beharing zal een zo goed mogelijke bescherming bieden tegen weers- en terreininvloeden en verwondingen. Kortharig glad behang is foutief. Voorbenen bevederd. Achterbenen met broekbeharing tot aan het spronggewricht. Staart met lange vlag en een witte staartpunt. Overvloedige borstbeharing is niet gewenst
Kleur: Bruinwit en bruin-schimmel met bruine platen, mantel en stippen. Bles is toelaatbaar. Tan kleurige aftekening aan de voorsnuit, ogen en rond de anus en aan de oren, de staart en de benen is toegestaan. (Jungklaus
aftekeningen).

Grootte en gewicht:

Schofthoogte:
Reuen:  54 cm.
Teven:   52 cm.
Met toelaatbare afwijking van de grootte van plus of min 2 cm.

Fouten:

Iedere afwijking van bovengenoemde punten moet als fout worden gezien, waarvan de
beoordeling moet staan in de juiste verhouding tot de mate van de afwijking, waarbij
rekening wordt gehouden met de invloed op de gezondheid en het welzijn van de hond.

Ernstige fouten: (aanzienlijke afwijkingen van de rasstandaard)

  • zware grove lichaamsbouw met te zware botsubstantie.
  • aanzienlijke afwijkingen van de verhouding romp – hals – schofthoogte.
  • meer dan 50% van de neusspiegel vleeskleurig of gevlekt.
  • spitse voorsnuit. doorgebogen (concave) neusrug.
  • te lichte ogen.
  • te sterk hellend bekken.
  • aanzienlijk te weinig borstdiepte of een door te vlakke of tonvormige ribben
    gevormde borstkorf.
  • sterk naar buiten of naar binnen gedraaide ellebogen.
  • steil staande middenvoorvoet.
  • sterk koehakkig of sterk O- benig, zowel in stand als in beweging.
  • gespreide tenen met open voeten, platvoeten (doorgezakt)
  • zwaar log gangwerk.
  • glad behang zonder beharing, alsook te lange en gekrulde haarpunten aan het
    behang.
  • te sterk gekrulde beharing.
  • afwijking in schofthoogte van meer dan plus of min 2 cm en niet meer dan 4 cm.

Diskwalificerende fouten:

  •  agressieve of overmatig angstige honden.
  • honden die duidelijk lichamelijke afwijkingen vertonen of gedragsstoornissen
    vertonen.
  • angst, wild- of schotschuwheid.
  • grove afwijkingen van het geslachtstype, geslachtsmisvormingen
  • volledig gedepigmenteerde neusspiegel.
  • alle afwijkingen van een correcte scharende gebit, uitgezonderd het teveel aanwezig
    zijn of ontbreken van maximaal 2 x de P1.
  • kaak - en lippenspleet.
  • roofvogelogen.
  • ectropion, entropion, distichiasis (dubbele wimperrij).
  • sterk ontwikkelde keelhuid wammen.
  • duidelijke karperrug.
  • sterk doorgezakte rug, verkromming van de wervelkolom.
  • misvormde borstkorf bijv. “afgezet borstbeen”.
  • knikstaart, krulstaart en overige staartfouten bijv. een te korte of te lange staart.
  • éénkleurigheid.
  • grootte - afwijkingen van meer dan plus of min 4 cm.
  • Ongeschiktheid voor de jacht door het ontbreken van voor de veelzijdige
    inzetbaarheid voor de jacht benodigde aanleg voor en na het schot
  • Stom en/of „Waidlaut“

N.B.:

  • Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde teelballen bezitten, die zich
    volledig in de balzak bevinden.
  • Voor de fokkerij mogen uitsluitend functioneel en klinisch gezonde, rastypische
    honden worden gebruikt.

De meest recente wijzigingen in de rasstandaard zijn dikgedrukt weergegeven.

Previous Next
Close
Test Caption
Test Description goes like this